-
Maak, indien nodig, de kernel geschikt voor de poort die door de printer wordt gebruikt. In Kernelinstellingen is te lezen hoe dit gedaan kan worden.
-
Stel de communicatievorm voor de parallelle poort in, als gebruik wordt gemaakt van een parallelle printer. In Communicatietype instellen voor een parallelle poort staan de details.
-
Test of het besturingssysteem gegevens naar de printer kan sturen. In Printercommunicatie controleren staat een aantal suggesties.
-
Stel LPD in voor de printer door /etc/printcap aan te passen. Dat wordt later in het hoofdstuk beschreven.